27
januari
jeroen_dont_go_with_the_flow

Geen focus voelt geweldig!

De laatste tijd was ik op zoek naar mijn focus. Wat wil ik eigenlijk worden als ik later groot ben?

Ik vroeg het me af.

En intussen werkte ik gestaag door.

Ik schreef webteksten. Voor kleine zelfstandigen en grote bedrijven. Installateurs, software ontwikkelaars, techneuten, ontwerpers, enz. Mensen met ambities, maar zonder de pen om die daadkrachtig op internet over te brengen.

Ik schreef columns. Iedere week. Nou ja, bijna iedere week. Korte verhalen, die een poging doen tot vermaak.

Deed veel interviews. Voor magazines en kranten. En sprak daartoe met ondernemers, wereldreizigers en mensen van de straat. Om hun verhaal te vertalen naar een artikel.

Ik gaf een krant uit, die iedere week verschijnt.

Ik zat aan tafel bij ondernemers om mee te denken over hun communicatie en pr, waar ik vervolgens zelf ook mee invulling aan gaf. Heb zelfs eigenhandig een brochure en een paar websites ontworpen en  gebouwd.

Ik had schik in wat ik deed. In al wat ik deed. En dat heb ik nog steeds. In al wat ik doe.

Maar intussen zocht ik in vrijwel elk vrij moment naar die focus. Omdat ik nu eenmaal aanleg tot dromen en prakkiseren heb. Omdat je nu eenmaal een focus moest hebben, vond ik. En omdat ik mensen een op een in een minuut tijd wilde uitleggen wat ik nu eigenlijk deed. Als jeroen.

Ik zocht focus. Maar kon hem niet vinden.

Om gek van te worden.

Deze week heb ik de knoop doorgehakt: geen focus voor mij. Ik schrijf. Verhalen, artikelen, columns, webteksten … de hele santenkraam aan teksten. Ik ‘doe’ communicatie. Ik ‘doe’ pr. Ik geef een krant uit. En ik ga werk maken van de ideeën die nog op de plank liggen.

Alles wat op mijn pad komt. Alles waar ik zin in heb.  En voor iedereen met wie het klikt.

Niet als zelfbenoemd expert. Zonder focus. Maar gewoon als jeroen.

Marketingtechnisch waarschijnlijk volledig onverantwoord … maar het voelt geweldig!

 


6
januari
jeroen_lekkerbelangrijk

Column – Lekker belangrijk

Af en toe vergeet je wel eens om papa te zijn.

Vaak is dat aan het begin van de avond. Als ze vermoeid zijn. Prikkelbaar. En boos om het minste of geringste. Hoog tijd, zeg je. Kijk maar eens hoe donker het al is. Het is echt al héél laat, stel je met klem, dankbaar voor het feit dat ze nog geen klok kunnen lezen.

Op hun slaapkamer zijn ze al even kommerlijk als beneden. Ze worden onstuimig. Willen spelen. Of beginnen juist te nukken. Alles wordt uit de kast gehaald om wat tijd te rekken. Ze moeten vlug nog even dit doen. Snel nog even dat. En nee, dat willen ze zelf doen. In hun eigen tempo. Helpen? Aanmanen? Niet doen. Dat werkt in de regel alleen maar averechts.

Inmiddels loop je zelf ook te stieren. Je hebt nog dit te doen. Nog dat. En hoe langer het boven duurt bij de dames, hoe later het wordt dat ook jij klaar bent. Opschieten dames, maan je.

Fout. Ze gaan je stangen. Heel bewust.

Dus natuurlijk kiezen ze het dikste boek uit dat in de kast staat. Ze weten het dat het je niet uitkomt. Dat voelen ze, de jonge krengen. Dat vindt papa eigenlijk niet zo’n leuk boekje, probeer je nog. Maar tevergeefs. Want alleen dat boek willen ze voorgelezen hebben.

En dus schik je, binnensmonds kokend en vloekend. Wie wilde er ook al weer aan kinderen beginnen?

Je jaagt door het boek heen. Zonder bij de plaatjes stil te staan. En links en rechts wat zinnen schrappend. Ze hebben het niet eens door. Want eigenlijk vinden ze zelf dit boek ook niet leuk. Maar het is een lang verhaal. Tijdwinst dus.

Boek uit. Een kus, knuffel en het muziekje gaat aan. Lekker slapen, wil je gemeend zeggen. Het komt er dwingend uit, voel je.

Rust. Eindelijk. Tijd voor jezelf. Tijd om de ‘belangrijke’ dingen te doen die je vanavond nog moest doen.

Een uurtje later ga je boven even kijken. Ze slapen. Oudste met haar knuffelkonijn tegen zich aan gedrukt, licht ronkend, heel tevreden. Je drukt een kus op haar voorhoofd. Jongste met haar tut in de mond, beide handjes onder het gezicht. Je trekt haar dekens op en geeft ook haar een kus op het voorhoofd.

Vertederd ga je terug naar je ‘belangrijke’ bezigheid. Terwijl je denkt: was het maar alweer morgenvroeg.


2
december

Column – echte mannen

Echte mannen maken dochters. Dat is het verweer dat ik iedere keer weer inbreng als maten zich er laatdunkend  over uitlaten dat ik alleen maar dochters heb weten te maken.  Want dochters, zo vervolgen ze, daar kun je niet mee voetballen, daar kun je later niet mee naar de kroeg, daar kun je geen sterke verhalen over vroeger aan ophangen, die kun je niet stimuleren om ‘achter de wijven aan te gaan’.

Nee, dochters, daar kun je eigenlijk helemaal niets mee.

Echte mannen … sputter ik dan weer tegen, bijgestaan door een vriend die hetzelfde heeft gepresteerd als ik. Maar mijn gesputter vindt geen enkel gehoor.

Nee, zonen had ik moeten hebben. Flinke jongens.  En trouwens: niets zo gemakkelijk als een dochter maken. Het voorbeeld ligt toch onder je. Wat is er nog moeilijk aan? Hahaha …

Ik berustte me er in. Wist dat ik hen toch niet kon overtuigen. Onbegonnen werk om hen er op te wijzen dat het heerlijk is om samen te poppen, te knutselen en te frunniken. Dat ik ernaar uitkijk om  later samen te gaan winkelen, te stappen en te theeën. Geen stoere praat van man tot man over vrouwen en voetbal, maar  soft geleuter over de dingen in het leven die er echt toe doen.

Maar sinds dinsdag maken ze me niets meer, mijn maten. Laat ze maar komen met hun ongefundeerde verwijten en stoere verhalen. Ik weet intussen beter. Dinsdag in het nieuws: ‘Koppels met een bovengemiddeld aantrekkelijk uiterlijk krijgen mogelijk om evolutionaire redenen vaker een dochter dan een zoon. Dat zou blijken uit een wetenschappelijke studie.’

Dat echte mannen dochters maken, trek ik bij deze terug. Een verweer van niets. Ik weet het. Maar ik had niets beter. Nu wel. Eentje die mijn maten monddood zal maken. Die ze had doen wensen dat ook zij dochters hadden gemaakt. Want het zijn niet zozeer de echte mannen die dochters maken. Nee, het zijn de mooie mannen die dat doen.


16
juli
jeroen_columnwk28

Column – veranderd

Vrouwen. Het duurde even voordat ik ze in de smiezen kreeg. Andersom duurde dat zelfs nog een hele tijd langer. Maar sinds we elkaar beter hebben leren kennen, ben ik me steeds meer bij hen thuis gaan voelen.

Tegenwoordig leef ik zelfs hele dagen tussen de vrouwen. Als vader van twee dochters. Maar ik heb steeds sterker het gevoel dat er wat met me is veranderd; dat zij me hebben veranderd.

Ik trok ‘s morgens altijd vlug wat uit de kast om die dag aan te trekken. Lekker makkelijk. Altijd goed. Tegenwoordig maak ik ’s morgens al hoogoplopende ruzies om kleding. Een truitje dat volgens hen prima op dat rokje staat, maar dat ik niet met elkaar vind matchen. Ik doe een tegenbod. Zij ook. Het spel van de koper en verkoper.

Ergens ben ik veranderd.

Mijn haren gooide ik vlug met wat gel in de plooi. Lekker makkelijk. Altijd goed. Tegenwoordig bied ik uit vrije wil aan om de haren van de meiden in het gareel te leggen. Zeg het maar, vraag ik hen dan, wat moet het worden? Terwijl ik als volleerd kapper het nodige voorwerk verricht door de haren behendig alvast in een strakke scheiding over de lengte van het hoofd te kammen. Eén staartje? Twee staartjes? Een knotje?

Ik draag roze shirts. Door hen uitgekozen. Bloesjes met bloemmotief. En wijs hen op het paarse element in de naad van mijn broek. Yes.

Ik was een man alleen. Werd een man tussen de vrouwen. En daar ergens tussenin is er iets in me veranderd.

Zaterdagavond kermisavond. De kinderen lagen op bed. Wij zaten nog even op de bank. Naast elkaar. Klaar voor vertrek. De tv stond aan. De troostfinale: de Duitsers tegen de Uruguayanen. Een spannende wedstrijd, die heen en weer golfde en waarin beide partijen evenveel aanspraak maakten op de winst. Tenminste, dat zei mijn vrouw. Ik las een boek.


8
juli

Column – Geef ze één vinger …

De eerste maanden dat ik haar naar school bracht, liepen we hand in hand. Vaste prik. Het hele eind. Want die grote hand voelde veilig. Die beschermde haar tegen het nieuwe en liet haar voelen dat ik dichtbij was.

Maar die nieuwe wereld van de ‘grote school’, waar ze zolang naar had uitgekeken en naar tegenop had gekeken, is inmiddels de hare geworden. School voelt vertrouwd.

Zo vertrouwd, dat ze mijn hand – en daarmee mij – al lang heeft losgelaten. Ze huppelt of springt liever naar school dan dat ze naast me loopt. Loopt over kleine muurtjes. Verstopt zich achter struiken. En rent naar de kinderen die ze onderweg ziet.

Ze is ‘groot’ geworden.

Tijd nu voor ons om haar los te laten. En dus mag ze vandaag voor het eerst alleen naar school lopen. Gewoon om eens te proberen, hadden we haar gezegd. Waarbij we ons afvroegen voor wie deze stap het grootst zou zijn.

Om één uur loopt ze aan. Glunderend. Trots. Ik kijk haar na. Zie dat ze vijftig meter verderop haar vriendin ontmoet. Die ook alleen naar school mag lopen. En samen huppelen ze heen. Giebelend. Lachend. Stralend.

Eenmaal uit zicht, zijn ze ongeveer halverwege school. Ik draai me om. Ga naar binnen. Doe vlug een belletje en zet een kop koffie. Ik kijk op de klok: tien over een. Over vijf minuten rinkelt de schoolbel. De twee dames zijn inmiddels wel al op het schoolplein, denk ik. En terugdenkend aan het begin van het schooljaar, dat nog maar even geleden lijkt, vraag ik me af wie destijds nu eigenlijk wie bij de hand nam. Zocht zij onderweg mijn hand? Of ik de hare? Ik heb in ieder geval beduidend meer moeite met loslaten dan zij.

Ik draai me om. Loop met de kop koffie naar buiten, naar kantoor en … bots bijna tegen haar op. Ze was inderdaad bijna op school, zegt ze, maar ze is terug komen lopen. Want, zo wil ze weten: “Mag ik ook alleen uít school komen?”