14
mei
jeroen_veteranenvoetbal

Column: stoppen

Afgelopen maandag. De start van een nieuw leven.

De dag ervoor had ik mijn laatste voetbalwedstrijd op zondag gespeeld. Na twaalf jaar in de selectie te hebben gespeeld en negen jaar in het derde, gaan de zondagse schoenen de wilgen in. Om te worden ingeruild voor mijn zaterdagse kicks. Oftewel: van Erp 3 naar de Veteranen, die hun potjes op de late zaterdagmiddag afwerken.

Een vreemd, hol gevoel deze maandagochtend in mijn buik en hoofd.

Weemoedig denk ik terug aan de vele voetbalzondagen die me bij zijn gebleven. De memorabele wedstrijden. De dribbels. De slidings. De goals. En de blunders ook.

Flarden van voor en na wedstrijden schieten links en rechts aan me voorbij. De stoere praat. De wilde verhalen. De smeuïge anekdotes. De goede gesprekken soms ook. De grappen die alleen wij grappig vonden. De momenten dat onnozel werd gedaan en tranen werden gelachen.

Het zit erop. Het zit er nu echt op.

Voetballers die in al die jaren als vrienden werden. Die je maar al te vaak hebt uitgelachen om hun eigenaardigheden. En die jou maar al te vaak om de jouwe hebben uitgelachen. Oude rotten en jonge jongens, allemaal één; zowel op het veld als daar buiten.

Een team waren we. Een hecht team. Een kampioensteam bovendien dit jaar. En een team dat afgelopen zondag, nadat de laatste wedstrijd was gespeeld, maar met moeite afscheid kon nemen van de kantine. Of van elkaar? Dat als laatste van iedereen de deur achter zich dichttrok. Stuk voor stuk dronkenmanspraat uitkramend dat het daglicht al niet meer kon en ook al niet meer wilde verdragen.

Wat was het een mooi seizoen. Wat hebben we bij vlagen goed gevoetbald. Heel goed. En wat hebben we in al die jaren veel gelachen. Heel veel.

Het was een mooi stel. Met een harde kern van zachte jongens. Van goedzakken en grappenmakers. Van werkers en virtuozen. Van vaders en flirters.

De tijd is gekomen om een stapje terug te doen. Minder trainen. Minder voetballen. Minder verplichtingen vooral. En daardoor meer vrijheid. En meer tijd automatisch ook voor andere dingen.

Kortom, het nieuwe leven wacht.

En aan alle mooie dingen komt nu eenmaal ooit een einde, houd ik mezelf deze maandagmorgen nog maar eens als excuus voor mijn stoppen voor. Maar het excuus wil deze morgen maar niet indalen. Het holle gevoel in de buik en het hoofd blijft.

Heb ik gisteren dan toch iets te veel kampioensnat gedronken?

Of zouden het de symptomen van de veteranenziekte zijn …?

 


5
april
jeroen_blouse

Column: bolletjes

Lente. En dus tijd voor nieuwe kleren. Zaterdag ben ik in Veghel gaan shoppen, bij Jeroen van den Akker. Mooie zaak. Vriendelijke mensen. Daar zou het gaan gebeuren. Een blouse had ik nodig. Gewoon een nette blouse.

Dat werd een lichtblauwe. Inderdaad, weer een lichtblauwe. Net als die andere nette blouse van mij. Blauw blijft kennelijk mijn kleur. Keurig getailleerd wederom. Waarbij de onderzijde van de blouse net over de riem valt. Wat mij een zakelijke, maar toch vlotte en zelfs redelijk sportieve uitstraling geeft. Voor alle doeleinden geschikt.

Maar deze blouse was anders blauw. Er zat een licht motiefje in verwerkt. Net weer iets toffer. Net weer iets meer van deze tijd. Vlot, maar tegelijk ook veilig. Gewoontjes misschien zelfs wel. Niks mis mee trouwens, hoor. Dat is altijd mijn stijl geweest. Niet te markant. Niet te opvallend. Gewoon Jeroen.

Totdat Susanne met die tweede blouse aan kwam zetten. Een witte blouse, bedekt met bonte bolletjes. In rijtjes boven elkaar. Alsof er een soort van Vier op een Rij op de blouse is gespeeld. Door heel veel mensen. Met fiches in alle denkbare kleuren, zonder dat het een winnaar heeft opgeleverd. Tot boven toe vol gestapeld dus.

En nog was de ontwerper kennelijk niet klaar met spelen. Want alle bolletjes – en geloof me: het zijn er tientallen in totaal, misschien zelfs wel honderden – bevatten teksten. Elk bolletje een andere tekst.

Trek die eens aan, was het verzoek.

En ik gehoorzaamde.

Eigenlijk is hij nog wel leuk ook, zie Susanne. Dat vond ook de verkoopster. Het is eens wat anders, vertelde ze.

Ik bekeek me in de spiegel. Beter had ik het niet kunnen verwoorden: anders. Maar hoe langer ik keek, hoe beter de blouse me beviel. Deze blouse gaf me bravoure. Maakte me tot een verschijning. En dat paste wel bij een schrijver. Toch?

Ik hakte de knoop door. Ik ging voor de bolletjesblouse. Klaar. Ongeacht wat de kinderen er van vonden, die me al aankeken alsof ze Mark Rutte in een joggingbroekje voorbij zagen komen. Of de kleurrijke Josje van K3 in een tuttig grijs mantelpakje. Het is eens wat anders dan je verwacht.

Vraag is nu alleen wanneer ik de blouse voor het eerst in het openbaar ga dragen. Wanneer ik voor het eerst alle schroom van me af durf te gooien en ik de nieuwe Jeroen durf te laten zien.

Dat vergt nog wat tijd. Een stukje vertrouwen ook, dat ik vooral zal moeten krijgen van de mensen om me heen. En daar ontbrak het begin deze week aan. Toen ik op het punt stond de blouse aan te trekken. ‘En Susanne een glimlach toch niet wist te onderdrukken. ‘Ach’, zei ze. ‘Je kunt hem altijd nog met carnaval aantrekken …’

 


2
mei
jeroen_boek

Er komt een boek

Al ruim zeven jaar schrijf ik columns. Korte verhalen over de kleine dingen die ik beleef. Thuis. En om het huis. Als man. Als vriend. Als baasje. En vooral: als vader van twee meiden.

Die verhalen verschijnen al bijna zeven jaar in de Erpse Krant. En leveren mij veel leuke en warme reacties op. Van mensen die ik ken en die even reageren; die laten merken dat ze me nog steeds volgen.

Maar vaak ook van mensen die ik niet ken. Of slechts zijdelings. Mensen in de winkel. Mensen op straat. Die me even aanhouden of naroepen dat ze hem weer hebben gelezen. Dat ze weer hebben moeten lachen. Of werden ontroerd.

Vorig jaar ontstond voor het eerst het idee om de verhalen te bundelen. Maar iets hield mij telkens tegen. Onzekerheid. Waarom zou ik een bundel uitgeven? Waarom?

Het was – bedenk ik me nu, al schrijvende – ook een soort van vrees die me ervan weerhield om door te zetten. Want met een boek zou ik ook naar mezelf toe erkennen dat ik een schrijver ben. En ben ik wel een schrijver?

Antwoorden vond ik niet. Maar de wens bleef.

Een paar maanden geleden heb ik de knoop definitief doorgehakt: er zou een boek komen. En dan zou ik wel zien. Gas erop.

Ik heb de zeventig grappigste, meest verrassende en meest vertederende columns geselecteerd die ik de afgelopen zeven jaar heb geschreven. Die heb ik in een strak jasje vorm laten geven. Om het geheel, een boek van 144 pagina’s, vorige week bij de drukker aan te leveren.

Er komt een boek. Het is definitief.

Sindsdien is er een soort van druk van me af gevallen. Er komt een boek! Ik kan nog steeds niet helder uitleggen waarom, of misschien durf ik dat ook wel niet, maar er komt een boek.

Voilà, het is bij deze wereldkundig gemaakt. De stap, de laatste stap, die ik vorige week nog niet wilde zetten, zodat ik het idee nog even helemaal voor mezelf kon houden. Nog even geheim.

Maar het hoge woord is er uit en mag nu worden verspreid. Graag zelfs ;-).

 


6
januari
jeroen_lekkerbelangrijk

Column – Lekker belangrijk

Af en toe vergeet je wel eens om papa te zijn.

Vaak is dat aan het begin van de avond. Als ze vermoeid zijn. Prikkelbaar. En boos om het minste of geringste. Hoog tijd, zeg je. Kijk maar eens hoe donker het al is. Het is echt al héél laat, stel je met klem, dankbaar voor het feit dat ze nog geen klok kunnen lezen.

Op hun slaapkamer zijn ze al even kommerlijk als beneden. Ze worden onstuimig. Willen spelen. Of beginnen juist te nukken. Alles wordt uit de kast gehaald om wat tijd te rekken. Ze moeten vlug nog even dit doen. Snel nog even dat. En nee, dat willen ze zelf doen. In hun eigen tempo. Helpen? Aanmanen? Niet doen. Dat werkt in de regel alleen maar averechts.

Inmiddels loop je zelf ook te stieren. Je hebt nog dit te doen. Nog dat. En hoe langer het boven duurt bij de dames, hoe later het wordt dat ook jij klaar bent. Opschieten dames, maan je.

Fout. Ze gaan je stangen. Heel bewust.

Dus natuurlijk kiezen ze het dikste boek uit dat in de kast staat. Ze weten het dat het je niet uitkomt. Dat voelen ze, de jonge krengen. Dat vindt papa eigenlijk niet zo’n leuk boekje, probeer je nog. Maar tevergeefs. Want alleen dat boek willen ze voorgelezen hebben.

En dus schik je, binnensmonds kokend en vloekend. Wie wilde er ook al weer aan kinderen beginnen?

Je jaagt door het boek heen. Zonder bij de plaatjes stil te staan. En links en rechts wat zinnen schrappend. Ze hebben het niet eens door. Want eigenlijk vinden ze zelf dit boek ook niet leuk. Maar het is een lang verhaal. Tijdwinst dus.

Boek uit. Een kus, knuffel en het muziekje gaat aan. Lekker slapen, wil je gemeend zeggen. Het komt er dwingend uit, voel je.

Rust. Eindelijk. Tijd voor jezelf. Tijd om de ‘belangrijke’ dingen te doen die je vanavond nog moest doen.

Een uurtje later ga je boven even kijken. Ze slapen. Oudste met haar knuffelkonijn tegen zich aan gedrukt, licht ronkend, heel tevreden. Je drukt een kus op haar voorhoofd. Jongste met haar tut in de mond, beide handjes onder het gezicht. Je trekt haar dekens op en geeft ook haar een kus op het voorhoofd.

Vertederd ga je terug naar je ‘belangrijke’ bezigheid. Terwijl je denkt: was het maar alweer morgenvroeg.


2
december

Column – echte mannen

Echte mannen maken dochters. Dat is het verweer dat ik iedere keer weer inbreng als maten zich er laatdunkend  over uitlaten dat ik alleen maar dochters heb weten te maken.  Want dochters, zo vervolgen ze, daar kun je niet mee voetballen, daar kun je later niet mee naar de kroeg, daar kun je geen sterke verhalen over vroeger aan ophangen, die kun je niet stimuleren om ‘achter de wijven aan te gaan’.

Nee, dochters, daar kun je eigenlijk helemaal niets mee.

Echte mannen … sputter ik dan weer tegen, bijgestaan door een vriend die hetzelfde heeft gepresteerd als ik. Maar mijn gesputter vindt geen enkel gehoor.

Nee, zonen had ik moeten hebben. Flinke jongens.  En trouwens: niets zo gemakkelijk als een dochter maken. Het voorbeeld ligt toch onder je. Wat is er nog moeilijk aan? Hahaha …

Ik berustte me er in. Wist dat ik hen toch niet kon overtuigen. Onbegonnen werk om hen er op te wijzen dat het heerlijk is om samen te poppen, te knutselen en te frunniken. Dat ik ernaar uitkijk om  later samen te gaan winkelen, te stappen en te theeën. Geen stoere praat van man tot man over vrouwen en voetbal, maar  soft geleuter over de dingen in het leven die er echt toe doen.

Maar sinds dinsdag maken ze me niets meer, mijn maten. Laat ze maar komen met hun ongefundeerde verwijten en stoere verhalen. Ik weet intussen beter. Dinsdag in het nieuws: ‘Koppels met een bovengemiddeld aantrekkelijk uiterlijk krijgen mogelijk om evolutionaire redenen vaker een dochter dan een zoon. Dat zou blijken uit een wetenschappelijke studie.’

Dat echte mannen dochters maken, trek ik bij deze terug. Een verweer van niets. Ik weet het. Maar ik had niets beter. Nu wel. Eentje die mijn maten monddood zal maken. Die ze had doen wensen dat ook zij dochters hadden gemaakt. Want het zijn niet zozeer de echte mannen die dochters maken. Nee, het zijn de mooie mannen die dat doen.