‘Jij bent 11. Jij wordt geacht om gek te doen.’

‘Hoe was dat nou om trouwambtenaar te zijn’, kreeg ik de afgelopen weken verschillende keren de vraag.

‘Ik weet het niet’, zei ik dan met een gezicht vol twijfels. En even voor de duidelijkheid: dan trek ik de linkerhoek van mijn mond omhoog en knijp op hetzelfde moment mijn linkeroog dicht. Doe maar eens. Ziet er heel twijfelachtig uit.

Dat even tussendoor.

‘Voelde zo raar’, zei ik. Lees verder

‘Is dat niet lastig, trimmen met twee benen in het gips?’

Hij had me zien trimmen, zei de bakker vorige week met opvallend harde stem, terwijl hij de hendel naar beneden duwde om nog een brood te snijden.

Daarna viel hij heel even stil om een keer in zijn zaak rond te kijken.

Ja, het was druk in zijn broodwinkel, zag hij tevreden. En ja, hij had intussen de aandacht van de andere klanten, die hem verwachtingsvol aankeken, benieuwd naar de grap die inmiddels al in de lucht hing. Lees verder

Column: naar de middelbare

Column: naar de middelbare

Als de dag van gisteren.

Dat ze op de commode lag. De beentjes stijf omhoog, haaks op haar rug. Een houding die ze de eerste weken na haar geboorte spontaan aannam, omdat ze, toen ze nog geen nul was, zo lang in een stuit had gelegen. En ik die haar verschoonde. Glimlachend. Trots. Oelepoeleke doend. En koeliekoeliekoelie roepend.

En zie haar nu. Ruim elf jaar later. Zondag nam ze een korte aanloop, zette zich af op de trampoline en maakte een bijna perfecte dubbele salto.

Als de dag van gisteren.

Lees verder

Alsof de boom mij vasthoudt in plaats van andersom

Alsof de boom mij vasthoudt in plaats van andersom

‘Draai je om, sla je armen om hem heen, houd hem stevig vast en sla nu ook je benen om hem heen …’

En daar hangen we dan. Op zaterdagmorgen, tijdens het wekelijkse uurtje bootcamp. Met een man of tien. In het bosje bij het evenemententerrein. Ieder om een boom gekronkeld.

Een beetje lacherig in eerste instantie, want reken maar dat er dat koddig uitziet: tien lichamen, van slank tot volslank, van kreukvrij tot belegen, als een opgefrommeld gezwel aan een boom. Lees verder

‘Hier komt geen oorlog’, beloof ik haar

bana
‘Please stop the war, we are tired’ @AlabedBana

Een gilletje. Midden in de nacht. Een angstig stemmetje dat mij roept: ‘Papa …’

Een stemmetje dat mij, hoe iel ook, direct wakker maakt, mij op doet staan en naar jongste toe doet lopen.

Ze heeft grote ogen en kijkt bangig.

‘Ik droomde dat het oorlog was’, vertelt ze me.

Ik ga op de rand van haar bed zitten, strijk haar haren voor haar ogen weg en aai met de buitenkant van mijn grote hand over haar zachte, kleine wangen.

‘Niet fijn hè, zo’n enge droom?’

Ze knikt. Vanonder haar prinsessendekbed, haar friemelknuffelkonijn in de hand en haar trouwe beer die vanuit de hoek van het bed over haar waakt.

‘En ik kan je er helaas niet vanaf helpen. Dat zou ik wel willen. Dat ik die enge beelden uit je hoofd zou kunnen blazen. Ik wil het wel eens proberen. Via je oren …’

Ik buig voorover.

Ze glimlacht, houdt me tegen, slaat haar handen om mijn nek, trekt me naar zich toe en houdt me stevig vast.

‘Ga maar lekker slapen’, zeg ik na een tijdje. ‘Hier komt geen oorlog’, beloof ik haar. ‘Denk maar aan mooie dingen; dan gaat die enge droom zo voorbij. Denk maar aan mij.’ En ik geef haar een knipoog.

Ze lacht. Vertrouwde pretoogjes.

‘Welterusten, papa.’

‘Welterusten, schatje.’

De volgende ochtend – bestaat toeval? – lees ik in de krant het bericht over Bana, een 7-jarig meisje dat samen met haar moeder vanuit de schuilkelder in het Syrische Aleppo berichtjes de wereld in stuurt, via Twitter, in gebrekkig Engels. Berichtjes over dat haar vriendinnetje onder het puin van de ingestorte flat ligt. Over de bommen. De kogels. Over dat ze bang is dat ze vannacht dood zal gaan. Maar ook over dat ze later juffrouw wil worden …

Een bericht dat mij raakt.

Want Bana en Fieke. Twee meisjes van bijna dezelfde leeftijd. Die allebei graag lezen. Die allebei graag strikjes en bloemetjes in het haar dragen, zie ik op foto’s die ze op Twitter deelt. Twee meisjes ook die dezelfde droom hebben. Want ook mijn jongste wil later voor de klas komen te staan.

‘Ik wil leven als de kinderen in Londen’, schrijft ze. ‘Zonder bommen.’

Ik zou willen dat ik haar hetzelfde kon beloven als mijn jongste. Dat ik haar kon zeggen: ‘Denk maar aan mooie dingen. Dan gaat het vanzelf voorbij.’

Twee meisjes. Twee dezelfde meisjes. Met dezelfde dromen. En dezelfde nachtmerrie, op bijna hetzelfde moment. Met één verschil: de een heeft hem, de ander leeft hem …

 

Ik wil haar zeggen dat ze zo door het leven moet gaan

column_eend
De tekening bij deze column werd gemaakt door de illustratrice Eefje van Geffen [www.eefjevangeffen.nl]
‘Zitten hier ook van die ballonnen voorin?’, vraagt ze.

‘Airbags, bedoel je?’

Ik kijk naar het dashboard. Een richtingaanwijzer links van het hardplastic stuur, een claxon rechts ervan die een geluid laat horen dat in de aanzet nog jolig en krachtig klinkt, maar al snel buiten adem wegsterft, een kilometerteller die tot de 120 gaat (met de waarschuwing op de sticker om toch echt niet harder te gaan dan 100 vandaag), een versnellingspook die je in en uit het dashboard moet duwen en trekken om te schakelen en dan houdt het zo’n beetje op.

‘Nee, die heeft deze auto niet’, lach ik.

Gelukkig, denk ik. Ze draait bij.

Toen we haar vanmorgen bij opa en oma op kwamen halen en zag wat onze ‘verrassing’ was, viel ze eventjes stil. Een dierentuin had ze zelf bedacht. Of het klimbos. Ja, dat zou gaaf zijn. En anders een pretpark … Dat we een eend zouden huren bij Ad van der Horst in Boerdonk om een dagje rond te tuffen, viel een beetje koud op haar dak.

Hoe spannend kon dat nu zijn!?

Ik liet me niet kisten door haar eerste reactie. Onbekend maakt onbemind, dacht ik. Bovendien was dit wat ik al zo lang een keer wilde doen: rijden in een eend.

De luxe van een open dak mogen ervaren. Het comfort van een bankstel als autostoel. Het gemak van raampjes die je openklapt en met een klemmetje vastzet. De lol om het stalen pinnetje in de deur dat je naar beneden moet drukken om de deur op slot te doen.

En dan dat geluid … Alsof je een koffiemolen aan het werk zet. En dan niet zo’n grote blinkende opschepper die met iets te veel ego het kopje vol stampt en dampt. Nee, een klassiek modelletje dat pruttelend en proestend maar met gemeend plezier het lekkerste bakje koffie zet dat je ooit hebt gedronken.

Dat is de eend.

Rust. Vrijheid. Het tempo van leven een tandje terug mogen schakelen.

‘Dit is de mooiste dag van mijn leven’, schreeuw ik door het open dak. ‘Ehm … een na mooiste, bedoel ik’, corrigeer ik na de por in de rug van Susanne.

En zo toer en toeter ik de dag door. Ik zwaai. Ik lach. Naar iedereen die ons hoort of ziet. Ik zing. Het dak eraf. Zon op de bol, haren en handen in de wind. En de mensen zwaaien en lachen terug.

En zij doet met me mee. Van aarzelend naar vol overtuiging.

Ik wil haar zeggen dat dit het echte leven is. Dat ze hier van kan leren. Van deze dag, die veel waardevoller is dan een dagje dierentuin of pretpark. Want kijk maar eens naar buiten: als jij vrolijk doet, worden andere mensen dat ook. Zie je?

Ik wil haar zeggen dat ze zo door het leven moet gaan. Zoals vandaag. Zwaaiend. Lachend. Zingend.

Dat er altijd ook wel mensen zullen zijn die sneller gaan dan jij. Die jou passeren. Zich beter voelen dan jij, zich mooier voordoen dan jou of die zelfs van jou zullen zeggen dat je maar een lelijk eendje bent.

In dat geval: laat ze maar, wil ik haar zeggen.

Maar dat is al niet meer nodig. Ze heeft het al begrepen. Want net voordat ik van wal wil preken, is ze me voor: ‘Pap’, zegt ze, met een stralende glimlach, ‘ik wil later ook een eend.’

 

Ik wil me richten op de jonge, zelfbewuste vrouw

Ik wil me richten op de jonge, zelfbewuste vrouw

‘Jeroen, ze komen hier straks van RTL televisie opnames maken. We zoeken nog een figurant. Wil jij ons helpen? Duurt maar een half uurtje. Ongeveer …’

Het is maandagmorgen, iets over half elf. Mieke van den Heuvel, de gehoorspecialist en partner van Noud Optiek, vraagt of ik er om half twaalf wil zijn.

Prima. Doe ik, zeg ik, zonder door te vragen wat er van me wordt verwacht.

En terwijl ik naar dat moment toe werk, groeien de verwachtingen. Komt mijn modellencarrière, die naar mijn eigen bescheiden idee al veel te lang in het slop zit, ruim veertig jaar om precies te zijn, nu eindelijk van de grond? Wordt dit mijn doorbraak op tv? Als natural beauty. Met killer eyes waar De Linda over gaat schrijven en die er voor gaan zorgen dat ‘mijn’ filmpje viral gaat. De wereld over. Want die ogen achter die trendy bril van Noud Optiek. Zwijmel. Zucht.

En ik oefen in de spiegel gauw nog even mijn meest verleidelijke pose.

Komt dat trouwens even goed uit dat vanmorgen de kapster nog is geweest. Haha … Wel even checken nog. Ziet het er niet te gelikt uit? Te geföhnd? Toefje gel misschien nog voor de zekerheid. De wet look. En gelijk ook even die slag rechts vooraan in een net wat speelsere krul boetseren.

En dan in combinatie met die oogopslag. Even kijken … Oh ja!

Kun je trouwens al zien dat ik al twee weken naar de Bootcamp van Kim ben geweest? Ik trek mijn shirt uit, kruis de armen voor mijn lichaam, waar nog steeds geen sixpackje staat zie ik tussen neus en lippen, en span de biceps even aan. Hmmm, misschien heb ik nog een paar lesjes meer nodig. Niet erg voor vandaag. Maar met een tv-carrière in het verschiet wel iets wat ik bovenaan op mijn to-do-lijstje moet zetten: werken aan mijn lichaam. Onthouden!

Shirt weer aan. Of is een overhemd beter? Nee, te netjes. Dat wil mijn publiek niet zien. Die wil mij op tv hebben zoals ik ben: lekker, maar wel heel gewoon. En dan ‘gewoon’ in de zin van: aanspreekbaar. De knappe buurman, zeg maar.

Misschien wel even scheren nog. Stoppels zijn hip. Dat weet ik. Maar mij maken ze – vooral op tv denk ik – wat verwilderd en een tikkeltje ouder ook dan in het echt, terwijl ik me als model wil richten op de jongere, zelfbewuste vrouw; de vrouw die midden in het leven staat, haar zorgen heeft, haar trubbels, maar die vooral ook geniet van het leven en de kleine dingen om haar heen. Ik moet dus gaan voor de volwassen uitstraling, met een ondeugend en jeugdig randje. Ik beweeg langzaam mijn hoofd, terwijl ik in de spiegel blijf kijken. Naar links. Naar rechts. Ja. Even scheren maar.

En klaar.

Intussen heb ik mijn oneliner al bedacht en geoefend. Als Chimène, de knappe presentatrice van het programma (ik hoop zo dat ze er zal zijn), mij dadelijk vraagt waarom ik juist deze bril bij Noud heb uitgekozen, zal ik even wachten, een milliseconde, om haar vervolgens the look te geven, blik recht in de camera, en te zeggen, heel rustig, stemniveau ieieietsjes lager dan normaal: ‘Het oog wil ook wat … toch?’

Ja. Echt zin in.

Intussen ben ik een illusie armer en denk ik niet, en hoop ik ook niet eerlijk gezegd, dat De Linda over mij gaat schrijven. In plaats van door Chimène word ik welkom geheten door Bob en Henk, de cameraman met rastaharen met zijn te dikke geluidsman. Ze hebben een iets andere rol in gedachten dan ik, blijkt als ze me welkom heten: “Ah, daar hebben we de man van middelbare leeftijd met gehoorproblemen …’

 

Ik voelde mijn nek kraken toen ik het beton ramde

Ik voelde mijn nek kraken toen ik het beton ramde

‘Hoe lang is het nog rijden?’, vraagt jongste.

‘Nog 9 uurtjes ongeveer’, antwoordt Susanne. ‘Dat is net zo lang als een werkdag van mama’, voegt ze daar aan toe.

Susanne zit achter het stuur. Ik kijk opzij en geef haar een knipoog. Doet ze goed. De kinderen hebben nog totaal geen benul van tijd, plaats of afstand. Als ze thuis te horen krijgen dat ze nog vijf minuten mogen spelen voordat we gaan eten, gaan ze met een gerust hart nog op pad, waarna wij hen vijf minuten later nog ergens in de wijk kunnen gaan zoeken terwijl de soep al weer koud staat te worden.

En dus antwoordt Susanne dat we nog ongeveer een werkdag moeten rijden. Weten ze tenminste waar ze aan toe zijn.

Lekker. Want niks zo vervelend als lastige kinderen op de achterbank.

Of … het moet die ernstige polsblessure zijn die ik op de eerste dag al op de camping in Frankrijk op heb gelopen en waardoor ik anderhalve week mijn rechterhand nauwelijks heb kunnen gebruiken zonder dat er helse pijnscheuten via mijn arm door de rest van mijn lijf trokken.

Heel vervelend.

Wat was ik blij toen ik het deurtje van de wc-deur opentrok en zag dat die Hollandse pot schafte in plaats van een Frans hurktoilet. Balanceren en vegen tegelijk had ik met alleen een linkerhand echt niet getrokken.

Hoe ik die blessure op heb gelopen?

Houd het maar op een sportblessure.

Je wilt het echt weten?

Om jongste te laten zien hoe groot mijn handen zijn, heb ik bij het jeu de boulen twee zware, stalen ballen in een hand rond laten rollen. Volgende dag: rode, dikke pols. Overbelast of ontstoken. Laat ik in het midden en wil ik het eigenlijk ook niet meer over hebben. Ben er al voldoende om bespot.

Het was sowieso de vakantie van de ongelukjes.

De tweede week heb ik nog een paar dagen met hoofdpijn rondgelopen, omdat de zijkanten van het zwembad in een verraderlijk lichte kleur blauw waren opgetrokken en ik onder water dacht te zien dat ik nog wel een eindje te gaan had voordat ik de kant met de vingertoppen aan kon tikken. Niet dus … Ik voelde mijn nek kraken toen ik op volle kracht het beton ramde met mijn hoofd.

Maar goed, nu ben ik aan het klagen en dat wil ik helemaal niet. Het was gewoon een goede vakantie.

En sowieso, al die fysieke pijn valt in het niet bij de mentale dreun die Susanne mij op de terugweg uitdeelde.

‘Hoe lang is het nog rijden?’, vraagt jongste terwijl we Parijs naderen.

‘Nog 6 uurtjes ongeveer’, antwoordt Susanne. ‘Dat is net zo lang als een werkdag van papa …’